EIGEN SCHULD, DIKKE BULT?

Winter, gladheid en uitglijders, ze zijn bijna niet los van elkaar te zien.

Stel, u maakt al dan niet op de fiets, te voet of met de auto een uitglijder vanwege een (te) glad wegdek. Als gevolg hiervan heeft u (letsel)schade. Kunt u deze schade dan verhalen op de gemeente, als wegbeheerder?

De gemeente kán aansprakelijk zijn voor de schade die voortvloeit uit ongelukken door een glad wegdek. De gemeente is dan echter niet aansprakelijk op grond van wegbeheerderaansprakelijkheid, maar op grond van onrechtmatige daad.

De wegbeheerderaansprakelijkheid is een risicoaansprakelijkheid en doet zich in beginsel voor als de openbare weg niet in goede staat verkeert. Met andere woorden: als de openbare weg een gebrek oplevert. De gemeente moet namelijk in staan voor de goede staat van de openbare wegen. Vandaar de risicoaansprakelijkheid. De vraag is of een glad wegdek een gebrek aan de openbare weg oplevert. Uit de rechtspraak vloeit voort dat dit niet het geval is. IJzel, ijs of sneeuw op het wegdek, levert geen gebrek aan het wegdek op. Dit betekent dat er geen beroep gedaan kan worden op de risicoaansprakelijkheid van de gemeente.

Wel kan de gemeente aansprakelijk gesteld worden voor de geleden schade op grond van onrechtmatige daad. De gemeente is aansprakelijk als blijkt dat zij onvoldoende zorg heeft betracht of nalatig is geweest bij het voorkomen of opheffen van de gladheid. Daarbij is van belang dat niet van de gemeente verwacht kan en mag worden dat ze direct na het ontstaan van de gladheid op alle wegen strooit.

Het beleid van de gemeente ter zake de gladheidbestrijding wordt vaak neergelegd in een zogenaamd beleidsplan “Gladheidbestrijding”. Dit beleidsplan geeft aan op welke wijze gestrooid moet worden en welke keuzes gemaakt worden. Zo wordt er bijvoorbeeld een onderscheid gemaakt in primaire wegen, secundaire wegen met daarbij de in- en uitritten van de ziekenhuizen, politiebureaus en brandweerkazernes en tot slot de overige straten, rustige woonwijken en misschien zelfs nog de parkeerplaatsen. Ook het al dan niet plaatsen van waarschuwingsborden of langdurige gladheid door aanhoudend winterweer kan van belang zijn om aan te tonen dat de gemeente nalatig is geweest in het nemen van maatregelen.

Toch is voorzichtigheid geboden. Gedragingen van een onvoorzichtige weggebruiker kunnen namelijk leiden tot een vermindering van de schadevergoeding vanwege een eigen aandeel in het geheel. Daarnaast kan het ook zo zijn dat de gemeente geen verwijt gemaakt kan worden en dat er dus sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

Voorkomen is dus nog altijd beter dan genezen!

Indien u meer wilt weten over het aansprakelijkheidsrecht, neem dan contact op met:

BOSKAMP & WILLEMS ADVOCATEN

-UW SUCCES ONZE UITDAGING-

mw. mr. A.K. Creusen

sectie Schade en Aansprakelijkheid

Dr. Holtroplaan 42, Eindhoven

T 040  2501414

F 040  2501450

www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Aansprakelijk, Boskamp & Willems, Boskamp & Willems Advocaten | Getagged | Plaats een reactie

WACHTEN IS NIET MEER NODIG

Bij huur of verhuur kun je te maken krijgen met de opzegging van de huurovereenkomst. Ingeval van zogenaamde middenstandsbedrijfsruimte (artikel 290-bedrijfsruimte) is de opzegging aan dwingendrechtelijke bepalingen gebonden. De verhuurder kan de huurovereenkomst tegen het 5e jaar of na verlenging opzeggen tegen het 10e jaar. Verder kan alleen worden opgezegd op basis van in de wet genoemde gronden, bijvoorbeeld dringend eigen gebruik. Als de huurder met deze opzegging niet instemt, dan zal de rechter zich daarover moeten buigen. Wat als een nieuwe eigenaar / opvolgend verhuurder de huurovereenkomst wil opzeggen?

Bij verkoop van bijvoorbeeld een verhuurde winkelruimte loopt de huurovereenkomst gewoon door. Indien er sprake is van een opvolgend eigenaar, dan kan deze nieuwe verhuurder de huurovereenkomst op grond van de wet pas beëindigen op grond van dringend eigen gebruik na een wachttijd van drie jaar.

Tot voor kort was het niet duidelijk of deze wachttijd alleen van toepassing was bij een opzegging op grond van dringend eigen gebruik tegen het einde van de eerste huurtermijn, of ook bij opzegging tegen het einde van de verlengde termijn. Met het wijzen van het arrest van 24 september 2010 heeft de Hoge Raad hierin meer duidelijkheid gegeven.

In dat geval had de verhuurder als nieuwe eigenaar, de huurovereenkomst opgezegd, omdat een interessante kandidaat (de Bijenkorf) het betreffende bedrijfspand wilde gaan huren. De zittende huurder was het met de beëindiging van de huurovereenkomst niet eens en stelde dat de verhuurder als nieuwe eigenaar eerst de wachttijd van drie jaar moest uitzitten alvorens zij de huurovereenkomst zou kunnen opzeggen.

De Hoge Raad overweegt dat de wachttijd slechts geldt voor opzeggingen die worden gedaan tegen het einde van de eerste huurperiode. Vindt de opzegging plaats tegen het einde van de verlengde huurperiode of later, dan geldt de wachttijd van drie jaar niet! Om die reden was de opzegging dus niet nietig. Daarentegen oordeelde de Hoge Raad wel dat de reden van opzegging niet aangemerkt kan worden als dringend eigen gebruik. De opzegging werd daarom alsnog afgewezen.

Op grond van voornoemde uitspraak hoeft een verhuurder alleen in geval van een opzegging op grond van dringend eigen gebruik tegen het einde van de eerste huurperiode rekening te houden met de wachttijd van drie jaar. Na ommekomst van de eerste 5 jaars periode dus niet meer.

Een opvolgend verhuurder is dus minder snel gebonden aan de wachttijd van drie jaar. Indien de huurder bijvoorbeeld al tien jaar of meer in het pand zit, dan geldt de wachttijd niet meer en kan de nieuwe eigenaar de huurovereenkomst onmiddellijk opzeggen wegens dringend eigen gebruik, uiteraard nog wel met inachtname van de wettelijke opzegtermijn.

Heeft u als koper / verhuurder of huurder te maken met deze materie, dan is het raadzaam dat u zich tijdig laat adviseren, bijvoorbeeld door onze advocaten van de sectie onroerend goed recht.

Indien u meer wilt weten over het huurrecht, kunt u contact opnemen met:

BOSKAMP & WILLEMS ADVOCATEN

-UW SUCCES ONZE UITDAGING-

Mr. Mariëtta Dijkstra

Sectie onroerend goed recht

Dr. Holtroplaan 42 Eindhoven

T: 040-2501414

m.dijkstra@boskampwillems.nl

www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in huurovereenkomst | Getagged , , , , , , , | Plaats een reactie

Payrolling: wie is de werkgever?

Werkgevers kiezen steeds vaker voor payrolling. Het inlenende bedrijf is dan zelf verantwoordelijk voor de werving, selectie en begeleiding van werknemers en de payroll-onderneming neemt de administratieve verplichtingen en financiële risico’s voor haar rekening. De payroll-onderneming neemt de werknemer in dienst en stelt de werknemer exclusief aan de inlener ter beschikking om onder zijn leiding en toezicht te werken.

Payrolling is niet in de wet geregeld. Payrolling lijkt nog het meeste op een uitzendovereenkomst. Net als in de uitzendovereenkomst is sprake van een driehoeksverhouding tussen werknemer, het inlenende bedrijf en de payroll-onderneming. Het verschil met de uitzendovereenkomst is dat bij de payroll-constructie de werving en selectie door het inlenende bedrijf zelf wordt gedaan.

Tot voor kort was het onduidelijk of de werknemer bij een dergelijke constructie een arbeidsovereenkomst aanging met het inlenende bedrijf of met de payroll-onderneming. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eerder gezegd dat niet de inlener werkgever is maar de payroll-onderneming. Ook rechters hebben zich op verzoek van werknemers in de discussie gemengd.

Het gerechtshof in Leeuwarden liet zich vóór de zomer uit over het al dan niet bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen een payroll-medewerker en het inlenende bedrijf. De werknemer ging in juni 2004 voor een inlenend bedrijf werken via een payroll-onderneming. De inlener voerde beoordelingsgesprekken met de werknemer en die leidden tot een salarisverhoging. Uiteindelijk ontstond in 2009 discussie over de vraag of het dienstverband was geëindigd. Werknemer stelde zich op het standpunt dat er tussen hem en de inlener (nog altijd) een arbeidsovereenkomst bestond en vorderde loondoorbetaling. De inlener vond dat er geen arbeidsovereenkomst was met hem omdat er sprake was van payrolling en de payroll-onderneming het loon aan de werknemer betaalde.

Volgens het gerechtshof moet er bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst gekeken worden naar de bedoeling van partijen bij het sluiten van de overeenkomst. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de wijze waarop feitelijk aan de overeenkomst uitvoering is gegeven.

Het gerechtshof vond niet dat de rechtsverhouding tussen werknemer en inlener te kwalificeren was als een arbeidsovereenkomst. De werknemer had niet voor niets een schriftelijk contract met de payroll-onderneming. Ook kon hij weten wat de rol was van de payroll-onderneming. Dat er beoordelingsgesprekken met de inlener waren gevoerd maakte dit niet anders, nu ook binnen het kader van bijvoorbeeld opdrachtverlening of detachering beoordelingen bepaald niet ongebruikelijk zijn.

Volgens het gerechtshof kan het ook niet zo zijn dat zonder dat betrokkenen daartoe de wens hebben geuit de oorspronkelijke payroll-overeenkomst geruisloos over zou gaan naar een arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en het inlenend bedrijf.

Er vanuit gaande dat ook andere rechters in deze zin zullen oordelen, zal een inlenende “werkgever” niet snel bang hoeven te zijn dat een arbeidsovereenkomst tussen hem en de werknemer wordt aangenomen.

Boskamp & Willems Advocaten

- uw succes , onze uitdaging -

mr. M. (Marcel) Kokx

(Hoofd) Sectie Arbeidsrecht

Dr. Holtroplaan 42, Eindhoven

T 040-250 14 14

m.kokx@boskampwillems.nl

www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems, Boskamp & Willems Advocaten, Boskamp en Willems, Payrolling | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Einde partneralimentatie na 12 jaar?

Een man en een vrouw zijn getrouwd in 1975. Het huwelijk is in 1994 door echtscheiding ontbonden. Uit het huwelijk werden twee kinderen geboren. In 2006 verzocht de vrouw na 12 jaar om verlenging van de onderhoudsplicht van de man tot haar 65e. Zij voerde hiertoe aan dat sprake was van bijzondere omstandigheden. Zij was inmiddels 58 jaar en had geen uitzicht op inkomsten uit arbeid. Zij beschikte niet over vermogen. Bovendien had de vrouw geen specifieke opleiding gevolgd en beschikte zij  slechts beperkt over werkervaring. De rolverdeling tijdens het huwelijk was traditioneel en de vrouw is ook na de echtscheiding voor de kinderen blijven zorgen.

Tijdens de echtscheidingsprocedure stelt de rechter in de meeste gevallen nog geen termijn vast voor de duur van de partneralimentatieverplichting. Op voorhand is namelijk moeilijk te bepalen gedurende  welke periode behoefte bestaat om partneralimentatie te ontvangen. Gedurende de looptijd van de alimentatieverplichting kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor de alimentatie wordt gewijzigd of zelfs op “nihil” wordt gesteld. De verplichting om partneralimentatie te betalen eindigt onder de huidige wetgeving na 12 jaar. Deze termijn vangt aan op de dag waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De gedachte achter deze limitering is dat de alimentatiegerechtigde na afloop van deze termijn geen behoefte meer heeft aan een bijdrage in het levensonderhoud en dat de verplichting voor de alimentatieplichtige eindig is. Gedurende deze periode van 12 jaar is er voor een alimentatiegerechtigde over het algemeen voldoende gelegenheid om zich voor te bereiden op het zelf kunnen voorzien in het eigen levensonderhoud.

Maar wat als u niet in eigen uw levensonderhoud kunt voorzien?

Onder omstandigheden kunt u langer dan 12 jaar partneralimentatie ontvangen. Het moet dan wel gaan om zeer bijzondere omstandigheden. Het komt erop neer dat de beëindiging van de alimentatie na 12 jaar zulke ingrijpende gevolgen moet hebben voor de alimentatiegerechtigde, dat de beëindiging redelijkerwijs niet van de ontvanger verlangd kan worden. In dat geval geeft de wet een mogelijkheid om na het verstrijken van de termijn van 12 jaar de rechter om een verlenging van deze termijn te verzoeken. Dit verzoek dient binnen drie maanden na het verstrijken van de termijn te worden ingediend bij een rechtbank. De rechter stelt zeer zware eisen aan een dergelijk verzoek.

De rechter kijkt naar factoren zoals leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond om te beoordelen of de alimentatiegerechtigde een eigen inkomen kan verwerven. Daarnaast wordt gekeken of dit wel van iemand kan worden gevergd. Bij de beoordeling van het verlengingsverzoek spelen alle omstandigheden van de onderhoudsgerechtigde mee, ook als deze pas na echtscheiding zijn ontstaan. Ondanks het feit dat het verzoek om verlenging aan zware eisen dient te voldoen, zijn er situaties denkbaar waarin een rechter het rechtvaardig acht dat er een verlenging van de termijn van 12 jaar plaatsvindt.

Kortom: een langere termijn heeft een uitzonderingskarakter, maar is niet uitgesloten. Laat u daarom (tijdig) adviseren over de mogelijkheden!

Indien u meer wil weten over het familierecht, kunt u contact opnemen met:

BOSKAMP & WILLEMS ADVOCATEN

-UW SUCCES ONZE UITDAGING-

Mr. Patsy Hoppenbrouwers-Niesten.
Dr. Holtroplaan 42 Eindhoven
T: 040-2501414
p.hoppenbrouwers@boskampwillems.nl
www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, Boskamp en Willems, Partneralimentatie | Getagged , , , , , , | Plaats een reactie

Wie betaald?

Een ongeluk zit in een klein hoekje. Als u letsel oploopt, dan zal uw zorgverzekering de medische kosten wel vergoeden. En u mag dan hopen dat u een verzekering hebt voor de materiële schade. Als u door de schuld van een ander schade lijdt, dan kunt u die ander aansprakelijk stellen en de schade op hem of haar verhalen. Maar hoe zit het nu als u als werknemer betrokken raakt bij een ongeval op het werk, kunt u dan van uw werkgever verlangen dat hij uw schade vergoedt ?

U kunt bij uw werkgever aankloppen als u tijdens de uitoefening van het werk een ongelukje krijgt. In beginsel moet uw werkgever alle schade vergoeden die u oploopt. Voor hem is de enige manier om daar aan te ontkomen: aantonen dat hij er alles aan heeft gedaan om het werk voor u zo veilig mogelijk te maken en te houden. Hij moet dan aantonen dat al het materiaal dat hij u ter beschikking heeft gesteld aan de hoogste veiligheidsnormen voldoet en regelmatig op deugdelijkheid is gecontroleerd, en hij moet ook aantonen dat hij volledige instructies heeft gegeven over veilig werken en – net zo belangrijk! – er op heeft toegezien dat zijn werknemers zich houden aan de regels voor veilig werken.

De werkgever is dus  al gauw aansprakelijk. Als het goed is heeft hij daar een verzekering voor afgesloten. Omdat de  financiële gevolgen vaak niet gering zijn en er dus grote belangen spelen, komt de rechter er nogal eens aan te pas. De ervaring leert dat de rechter strenge  eisen  stelt aan het gedrag van de werkgever, de minste of geringste nalatigheid komt hem duur te staan: hij moet dan alle schade vergoeden. Om enkele voorbeelden  te noemen: Een betonwerker stond op een verhoogde triltafel (die gebruikt wordt om beton aan te trillen). Hij stond daar te bellen, en doordat hij niet oplette viel hij van de tafel met ernstig letsel als gevolg. Je zou zeggen: eigen schuld, maar de rechter vond dat de werkgever maar duidelijke instructie had moeten geven dat er niet gebeld mocht worden; dat nu had de werkgever niet gedaan. Een andere werknemer, een piloot, stelde zijn werkgever, de vliegmaatschappij, aansprakelijk voor de schade die hij had opgelopen tijdens een taxirit ergens in een ver land tijdens zijn verblijf aldaar tussen twee vluchten in. De werkgever wees aansprakelijkheid af met de redenering, heel begrijpelijk: Ik heb er geen enkele invloed op hoe jij je ver van huis wilt laten vervoeren, dus je kunt mij niet aanspreken voor de schade. Onze hoogste rechter zag dit echter anders. De Hoge Raad was het uiteraard met de vliegmaatschappij eens dat deze geen invloed had op het taxiritje, maar was wel van oordeel dat de werkgever een behoorlijke ongevallenverzekering voor de werknemer had moeten afsluiten. Nu dat niet was gebeurt, moest de werkgever alle schade betalen. Uit dit vonnis mag overigens niet worden afgeleid dat iedere werkgever een ongevallenverzekering moet afsluiten, maar wel dat de werkgever er verstandig aan doet zo’n verzekering af te sluiten als hij werknemers heeft die regelmatig voor hem reizen of anderszins bijzonder risico’s lopen.

Of dit nu recht of krom is, het is maar hoe je het bekijkt.

Mr. Marcel Kokx  (hoofd sectie arbeidsrecht)

Boskamp & Willems Advocaten
Dr. Holtroplaan 42, Eindhoven
www.boskampwillems.nl

m.kokx@boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Arbeidsrecht, Boskamp & Willems, Boskamp & Willems Advocaten, Boskamp en Willems | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

Eindelijk: de omgevingsvergunning!

Na veelvuldig uitstel is op 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingevoerd. Sinds die datum hebben we niet langer te maken met vertrouwde begrippen zoals een bouwvergunning, een milieuvergunning en een sloopvergunning, maar spreken we van een omgevingsvergunning. Wat voorheen een bouwvergunning heette, heet sedert 1 oktober 2010 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

Met het invoeren van de Wabo is beoogd een betere en snellere dienstverlening van de overheid aan burger en bedrijven te bewerkstelligen. Daarnaast zou de omgevingsvergunning een flinke besparing moeten gaan opleveren. De totale administratieve lastenverlichting voor bedrijven komt uit op ruim 105 miljoen euro per jaar. Ook voor burgers is voorzien in een forse lastenverlichting.

Iemand die in de oude situatie, die dus duurde tot 1 oktober 2010, bijvoorbeeld een bedrijfshal wilde bouwen, kreeg vaak te maken met veel vergunningen en voorschriften met elk hun eigen toetsingscriteria, procedures,  ambtelijke loketten en afhandelingstermijnen. Door de invoering van de Wabo zijn 26 vergunningen en 1600 formulieren ondergebracht in één vergunning, de al eerder genoemde omgevingsvergunning. De aanvraag voor die omgevingsvergunning wordt ingediend bij één loket (meestal het gemeentehuis), ook indien voor de behandeling van de aanvraag een beoordeling door andere instanties (zoals Provincie en Waterschap) nodig is. De gemeente zorgt voor het doorsturen van de aanvraag naar die andere instanties, die vervolgens daarover een advies uitbrengen. Dat resulteert in één besluit, waartegen ook één procedure openstaat. Dat is een belangrijk verschil met de oude situatie, waarbij vaak meerdere opeenvolgende procedures doorlopen moesten worden, voordat daadwerkelijk de schop de grond in kon.

Het Ministerie van VROM heeft een systeem ontwikkeld dat de vergunningaanvraag en -verlening automatiseert. Dat systeem staat bekend als het Omgevingsloket online. Juist de technische problemen bij het operationeel maken van dat systeem, hebben eerder geleid tot een uitgestelde invoering van de Wabo. Thans lijkt het er echter op dat die technische problemen tijdig zijn opgelost en is in elk geval per 1 oktober 2010 de Wabo ingevoerd. De praktijk zal nu moeten gaan bewijzen of de beoogde kostenbesparingen en tijdwinst ook daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd.

Hebt u vragen over de Wabo, neem dan contact op met:

Boskamp & Willems Advocaten

- uw succes, onze uitdaging –

mr. H.G.M. van der Westen
sectie ruimtelijk bestuursrecht
Dr. Holtroplaan 42, Eindhoven
T 040  2501414
F 040  2501450
www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, omgevingsvergunning | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Ontslagvergoeding; bij echtscheiding delen?

Vandaag de dag wordt deze vraag weer actueel. Door financiële tegenslagen ziet uw werkgever zich genoodzaakt uw arbeidsovereenkomst te beëindigen. Vanwege uw ontslag ontvangt u een schadeloosstelling. Met de ontslagvergoeding wordt regelmatig een lijfrenteverzekering gefinancierd. Moet u de schadeloosstelling of de (uitkeringen uit de) lijfrenteverzekering met uw echtgenoot of echtgenote delen?

U vraagt zich dit waarschijnlijk enkel af in geval van echtscheiding. Als u getrouwd bent in gemeenschap van goederen, moet bij een scheiding de (ontbonden) gemeenschap worden verdeeld. Als de ontslagvergoeding of de lijfrenteverzekering onderdeel uitmaakt van die gemeenschap, maakt uw ex-partner aanspraak op de helft daarvan.

De gemeenschap omvat alle tegenwoordige en toekomstige goederen van de echtgenoten. Daaruit kan worden geconcludeerd dat de ontslagvergoeding en wat daarmee gefinancierd is gemeenschappelijk wordt. Zo eenvoudig is het echter niet. Goederen die op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, vallen slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich daartegen niet verzet. Of een goed op een bijzondere wijze verknocht is, hangt af van de aard van het goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.

Uit de rechtspraak volgt dat een ontslagvergoeding afhankelijk van de omstandigheden kan worden aangemerkt als een goed dat op bijzondere wijze aan een echtgenoot is verknocht en dat die verknochtheid zich er tegen verzet dat de ontslagvergoeding (in zijn geheel) in de gemeenschap valt.

Het gaat dan met name om een ontslagvergoeding die bedoeld is als inkomenssuppletie. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen de inkomstenderving tot aan het moment van de echtscheiding en de periode daarna. De vergoeding die ziet op aanvulling van het inkomen tot aan de datum van echtscheiding valt in de gemeenschap. Inkomen uit arbeid tijdens het huwelijk zou immers ook bij de verdeling zijn betrokken. De vergoeding die betrekking heeft op de periode na het huwelijk en al dan niet is uitgekeerd, wordt beschouwd als bijzonder verknocht. Dit deel van de vergoeding hoeft u niet met uw ex-partner te delen. Dit gaat ook op als de ontslagvergoeding is aangewend voor een lijfrenteverzekering. De (restant)waarde van de polis en de termijnen die nog niet zijn uitgekeerd, hoeft u niet te verdelen.

De ontslagvergoeding wordt als het ware uit elkaar getrokken. Het is begrijpelijk dat daarover tijdens de echtscheidingsprocedure strijd kan ontstaan. Vooral als niet duidelijk is wat de aard is van de ontslagvergoeding en welk deel van de vergoeding betrekking heeft op reeds gederfde en toekomstige te derven inkomsten.

Als uw arbeidsovereenkomst wordt beëindigd en u een schadeloosstelling ontvangt, is het raadzaam in de beëindigingsovereenkomst de ontslagvergoeding helder te specificeren. Uit die specificatie moet voornamelijk volgen op welke periode de vergoeding wegens inkomensderving betrekking heeft. Als dat niet duidelijk blijkt, kunt u in bewijsproblemen komen en loopt u het risico dat uw ex-partner deelt in een vergoeding die bedoeld is voor uw toekomst.

Indien u meer wil weten over het familierecht, kunt u contact opnemen met:

BOSKAMP & WILLEMS ADVOCATEN
-UW SUCCES ONZE UITDAGING-

Mr. G.(Geertje) de Jong
Dr. Holtroplaan 42 Eindhoven
T: 040-2501414 F: 040 250 14 50
www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, Ontslagvergoeding | Getagged , , , , , , , , | Plaats een reactie

Aannemer aan zet!

In deze economische tijden lees je regelmatig in de krant over problemen bij bouwprojecten. De aannemer legt het werk neer omdat de opdrachtgever niet betaalt en het terrein wordt afgezet.

Een aannemer die te maken krijgt met een niet betalende opdrachtgever heeft een sterk wapen in handen, namelijk het zogenaamde retentierecht. Dit houdt in dat de aannemer niet oplevert voordat de opdrachtgever alles betaald heeft en dat hij zijn vordering met voorrang kan verhalen boven alle partijen tegen wie hij het retentierecht kan inroepen.

Het retentierecht is bedoeld als pressiemiddel om alsnog betaling te verkrijgen. Hierbij geldt het adagium “onder druk wordt alles vloeibaar”. Uitoefening van het retentierecht leidt vaak alsnog tot betaling omdat meerdere partijen belang hebben bij voortgang van het project.

Om het retentierecht uit te oefenen moet de aannemer de onroerende zaak in zijn macht hebben. Meestal wordt het bouwterrein omheind en worden er borden geplaatst waarop staat dat de aannemer een retentierecht uitoefent.

Het retentierecht kan ook worden ingeroepen tegen anderen dan de opdrachtgever, zoals kopers of beslagleggers, als voor die anderen duidelijk is dat een retentierecht wordt uitgeoefend. De aannemer kan het retentierecht zelfs inroepen tegen partijen die een ouder recht op de onroerende zaak hebben, zoals een bank met een hypotheekrecht. Daarvoor is nodig dat de opdrachtgever bevoegd was om aan de aannemer opdracht te geven of dat de aannemer geen reden had om daaraan te twijfelen.

Banken trachten uitoefening van een retentierecht te voorkomen door in hypotheekaktes op te nemen dat de eigenaar van de onroerende zaak toestemming van de bank nodig heeft om aanneem¬overeenkomsten aan te gaan. Bij normale exploitatie van het pand, zoals gebruikelijk onderhoud of noodzakelijke renovatie, hoeft de aannemer zich echter niet te verdiepen in de bevoegdheid van de opdrachtgever. Bij volledige sloop en nieuwbouw waarschijnlijk wel.

Leidt uitoefening van het retentierecht niet tot betaling, dan wil de aannemer zich verhalen op de opbrengst van de onroerende zaak. Hij mag niet zelf tot verkoop overgaan, maar moet een rechterlijke uitspraak vragen, waarmee hij beslag kan leggen. Het onroerend goed kan dan executoriaal worden verkocht, waarna de aannemer zich op de opbrengst kan verhalen.

Komt er onenigheid over de verdeling van de opbrengst, bijvoorbeeld tussen aannemer en bank, dan zal er een rangregeling moeten plaatsvinden, waarbij een rechter bepaalt wie welk bedrag ontvangt.

Bij de verdeling van een executieopbrengst kunnen alleen de partijen die in de wet worden genoemd meedelen. Dat zijn onder meer beslagleggers op de onroerende zaak of de koopprijs en hypotheekhouders, maar niet schuldeisers met een retentierecht. Een aannemer met een retentierecht kan dus alleen meedelen in de executieopbrengst, als hij tijdig beslag heeft gelegd voor alle vorderingen die hij op de opdrachtgever heeft.

Doet hij dat niet, dan heeft hij overigens nog steeds een sterk wapen in handen. Hij kan zijn retentierecht ondanks de executie handhaven. Bij executoriale verkoop vervallen beslagen en hypotheekrechten wel, maar retentierechten niet. Die kunnen ook worden ingeroepen tegen de koper op de executieveiling. Die zal dus alsnog de aannemer moeten betalen, hetgeen hij als het goed is heeft meegewogen bij zijn bod. Het is voor de aannemer van groot belang om zijn rechten op de juiste manier te blijven uitoefenen, omdat zijn sterke rechten anders vervallen.

Conclusie is dat de aannemer een machtig wapen in handen heeft om betaling af te dwingen. Daarvoor is wel nodig dat hij tijdig reageert bij betalingsproblemen van zijn opdrachtgever, dat hij zijn rechten op correcte wijze uitoefent en dat hij alert blijft bij executie, verdeling van de opbrengst en het al dan niet prijsgeven van zijn retentierecht.

Gezien de complexiteit van de materie is specialistische juridische bijstand geen overbodige luxe. Dat geldt overigens ook voor anderen die te maken krijgen met een aannemer die zijn retentierecht uitoefent. Boskamp & Willems Advocaten kan deze bijstand bieden.

BOSKAMP & WILLEMS ADVOCATEN
-UW SUCCES ONZE UITDAGING-

mr. D.D. Dielissen-Breukers
Sectie Insolventie- en Ondernemingsrecht
Postbus 8727
5605 LS Eindhoven
Tel: 040-2501414
Mail: d.dielissen@boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, retentierecht | Getagged , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Weigerachtige werknemers….

Werkgever en werknemer worden geacht zich beiden in spannen voor re-integratie van een zieke werknemer. Maar wat te doen als een zieke werknemer niet meewerkt aan zijn re-integratie. De wet geeft dan de mogelijkheid om de loonbetaling op te schorten of stop te zetten, maar zou de werkgever ook over mogen gaan tot ontslag?

Een recente uitspraak van de kantonrechter te Haarlem, mr. Visser (ook wel bekend als ‘de Rijdende Rechter’) laat zien dat ontslag (op staande voet) niet de aangewezen sanctie is, ook niet als de werknemer het erg bont maakt.

Een werknemer meldde zich ziek met rugklachten. De werkgever vertrouwde deze ziekmelding niet. Nadat de werknemer tot tweemaal toe niet bij werkgever was verschenen voor een gesprek zette werkgever het loon stop. Vervolgens legde de bedrijfsarts een huisbezoek af. Hij trof werknemer niet aan. Werkgever handhaafde de stopzetting van de loonbetaling. Nadat de werknemer ook niet was verschenen op een eerste oproep van de bedrijfsarts, verscheen hij wel op een tweede oproep. Bij die gelegenheid bleek de pols van werknemer in het gips te zitten. Hij weigerde echter te zeggen waarom. Op basis van de welbekende informatie oordeelde de bedrijfsarts toch dat werknemer niet in staat was om zijn werkzaamheden te verrichten. Vervolgens startte de werknemer een kort geding om loonbetaling af te dwingen. De kantonrechter wees de vordering tot loonbetaling af, kort gezegd omdat werknemer onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie, onder meer omdat de bedrijfsarts geen toestemming kreeg om informatie in te winnen bij de huisarts. Na de zitting kreeg de bedrijfsarts alsnog toestemming om informatie in te winnen bij de huisarts. Nadat de werknemer weer was opgeroepen bij de bedrijfsarts, verscheen hij opnieuw niet. Vervolgens stelde de werknemer allerlei voorwaarden aan een gesprek bij de bedrijfsarts waarmee de bedrijfsarts niet akkoord ging.

Voor werkgever was de maat vol en de werknemer werd op staande voet ontslagen vanwege zijn weigering om bij de bedrijfsarts te verschijnen. Het UWV stelde daarna nog vast dat werknemer in staat was het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken en dat hij eveneens in staat was aangepast werk te verrichten. Het UWV oordeelde kort gezegd dat werknemer onvoldoende re-integratie inspanningen had verricht.

De kantonrechter moest oordelen of het ontslag terecht was. De kantonrechter vond dat het ontslag op staande voet geen gerechtvaardigd middel was om het slepende conflict tussen partijen te beslechten. Werknemer was natuurlijk blij met deze beslissing en vond dat hij recht had op loon, nu het ontslag geen stand hield. Maar de rechter wees deze vordering grotendeels af, omdat de werknemer onvoldoende aan zijn re-integratie had gedaan. De werknemer had bij de bedrijfsarts kunnen en moeten verschijnen, wist hoe belangrijk dit was en had zijn re-integratie willens en wetens belemmerd door niet op te komen dagen. De eerdere overwinning leverde de werknemer dus uiteindelijk bar weinig op.

Deze uitspraak bevestigt dat werkgevers loonopschorting of loonstopzetting mag inzetten in discussies over arbeidsongeschiktheid en het meewerken aan re-integratie. Ontslag daarentegen wordt slechts in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd geacht.

Marcel Kokx
(hoofd) sectie arbeidsrecht

Boskamp & Willems Advocaten

Dr. Holtroplaan 42, Eindhoven

m.kokx@boskampwillems.nl
040-2501469

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, Boskamp en Willems, Werknemers | Getagged , , , , , , , , , , , , , , | Plaats een reactie

Garantie

Als u een product koopt, ontvangt u daarbij doorgaans een garantiebewijs van de verkoper. Hiermee staat de verkoper uitdrukkelijk in voor de kwaliteit van het door hem geleverde product. Dit is een sterke belofte, die juridisch de nodige gevolgen kan hebben. Het geleverde product zal moeten voldoen aan de beloofde eisen.

Zo’n verkopersgarantie is wat anders dan fabrieksgarantie. Fabrieksgarantie is de garantie die de fabrikant van het product geeft, dat het product voldoet aan de eigen voorschriften van de fabrikant. Een fabrikant is echter helemaal niet verplicht om garantie te geven en is dus volledig vrij om zijn eigen garantievoorwaarden te hanteren. Zo kunnen de voorwaarden van de fabrieksgarantie bijvoorbeeld vermelden dat, wanneer een product ter garantiebeoordeling aan de fabrikant wordt aangeboden, altijd onderzoekskosten in rekening worden gebracht.

Als er sprake is van fabrieksgarantie, verwijst de verkoper ook vaak door naar deze fabrieksgarantie. Het is belangrijk om daarbij te realiseren dat de koper een overeenkomst heeft gesloten met de verkoper en niet de fabrikant. De verkoper is dus de voor de koper de aan te spreken partij. De verkoper kan zich dus niet verschuilen achter een beslissing van de fabrikant om wel of geen garantie te verlenen of achter de fabrieksvoorwaarden.

Verkopersgarantie geldt vaak alleen onder bepaalde, veelal strikte, voorwaarden. Bovendien geldt deze garantie slechts voor een bepaalde periode. Betekent dit nu dat, wanneer er niet wordt voldaan aan de (strikte) garantievoorwaarden of wanneer de garantietermijn is verstreken, er dan helemaal geen garantie meer geldt? Nee, want uit de wet volgt dat een koper altijd recht heeft op een goed product, ook zonder garantie van de verkoper of na het verstrijken van de garantietermijn.

Deze wettelijke garantie houdt in dat een geleverd product die eigenschappen moet bezitten, die de koper op grond van de overeenkomst mag verwachten.

Wat de koper van het product mag verwachten, hangt onder meer af van het soort product (nieuw of tweedehands), het merk, de prijs, het soort winkel en de mededelingen van de verkoper. De koper mag in ieder geval verwachten dat het product die eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik van het product nodig zijn.

Het kan dus zo zijn dat, wanneer een product kort na het verstrijken van de garantietermijn defect raakt, de koper de verkoper toch met succes op het gebrek kan aanspreken, omdat de koper mocht verwachten dat hij nog langer probleemloos gebruik kon maken van het bewuste product.

Biedt een verkopersgarantie dan helemaal geen enkel extra voordeel voor de koper? Zeker wel, want als bij een product geen verkopersgarantie wordt verstrekt, moet de koper aannemelijk maken dat het gebrek voortkomt uit het product en dat koper het gebrek niet zelf heeft veroorzaakt. Wanneer het product mét verkopersgarantie is geleverd, moet de verkoper bewijzen dat het gebrek door de koper is veroorzaakt. De bewijslast is in dat geval dus omgekeerd.

Heeft u vragen over garantie, of wilt u hierover meer informatie ontvangen, neemt u dan contact op met

Boskamp & Willems Advocaten

mr. L.M. (Leon) Dressel
Postbus 8727
5605 LS Eindhoven
040 250 14 14
l.dressel@boskampwillems.nl
www.boskampwillems.nl

Post to Twitter Post to Plurk Post to Yahoo Buzz Post to Delicious Post to Digg Post to Facebook Post to MySpace Post to Ping.fm Post to Reddit Post to StumbleUpon

Gepost in Boskamp & Willems Advocaten, Garantie | Getagged , , , , , , , , , | Plaats een reactie